KUA P2

Quiz Type

Multiple Choices
Multiple Choices

Quiz Level

Intermediate

Single Choice

1. Je weet wat de functie van een kerk was ten tijde van de 17e eeuw - Godsdienst belijden - Openbare ruimte (ontmoeten, schuilen, ….) - Het bewaren van de orde (‘’Kerk en theater hebben beide een maatschappelijke functie: het bewaren van de orde’’) 2. Je weet hoe een kerk eruit zag ten tijde van de 17e eeuw (interieur) Ideaalbeeld protestantse kerk: - Sober / leeg interieur - Kerkgangers luisteren aandachtig naar de predikant op de preekstoel Oefening lijnperspectief -> niet-realistische standpunten 3. Je kent de functie van de muziek in de kerk ten tijde van de 17e eeuw Een orgel was eigendom van de stad. Organisten waren dus ook in dienst van het stadsbestuur. - Beiaardiers (beiaard = klokkenspel) en organisten verzorgden concerten - Stadsorganisten -> aangesteld voor stadsbestuur Jan Pieterszoon Sweelinck: - Katholiek - Orgeldeskundige - Bij ontvangsten / plechtigheden / e.a. belangrijke gebeurtenissen van stadsbestuur -> muzikale begeleiding - Leider bij ‘collegium musicum’ -> gezelschap van burgers die wat hebben met muziek en ook wel op een bepaald niveau muziek kunnen spelen en bij elkaar komen om samen te musiceren - Dansmuziek -> bewerkingen van Italiaanse madrigalen (= meerstemmig lied met wereldlijke tekst) en eigen werk - Echo-effecten -> de klanken van de orgelklavieren lijken op elkaar te reageren 4. Je weet wat rederijkers/rederijkerskamers zijn en welke functie zij hadden Rederijkers -> gezelschap van mensen (gegoede burgers) die iets met taal hebben (retorica / poëzie / toneel / voordrachten) Uit liefhebberij – organiseren wedstijden Kannekijkers -> ze dronken veel alcohol Rederijkerskamers -> de vereniging Calvinisten zijn sceptisch over deze kamers Duytsche Academie (1617): - Rederijkerskamer - Kwaliteit toneel verbeteren + onderwijs in Nederlandse taal bevorderen - Gerbrand Adriaenszoon Bredero -> een van de leden o Spaanschen Brabander -> waarschuwing lichtgelovigheid (belerende/betweterige boodschap wordt luchtig verpakt) Functies rederijkerskamer (examenvraag) - Het ensceneren van tableau vivants (= levend schilderij) bij belangrijke gebeurtenissen zoals blijde inkomsten, huwelijken, de verwelkoming van een vorst. - Het verzorgen van voorstellingen met een opvoedkundig karakter, op vaste (religieuze) momenten, om die festiviteiten luister bij te zetten. - Het bieden van een platform waar de leden zich in geleerdheid konden onderscheiden van de anderen (d.m.v. bijv. dichtwedstrijden). 5. Je kent de ontwikkeling van de theaterinrichting ten tijde van de 17e eeuw Calvinisten zagen het beroep acteur als oneerbaar - Je voordoen als iemand anders - Gods schepping aantasten (God heeft je geschapen, dus je moet je niet voordoen als iemand anders) Amsterdamse Schouwburg ‘gedoogstatus’ (officieel niet toegestaan, maar wel getolereerd) - Opbrengsten -> oudemannenhuis + weeshuis - Opgericht -> door een gewone man d.m.v spel lessen voor dagelijks leven (ter lering en vermaak) - Opbouw toneelavond: Eerst (serieuze) tragedie opgevolgd door komedie / klucht o Klucht: een grappig toneelstuk met veel misverstanden dat bedoeld is om mensen te laten lachen  er zit een morele les in -> ter lering en vermaak  klucht gaat over het dagelijks leven en de gewone mens  in een klucht worden zaken overdreven o Tragedie: een ernstig toneelstuk waarin het meestal slecht afloopt voor de hoofdpersoon o Spektakelstuk: een toneelstuk met veel actie, speciale effecten en indrukwekkende scènes, zodat het publiek veel te zien heeft - Tragedie -> Aristotelische principes 6. Je kent de Aristotelische principes Eisen van Aristoteles: - Stuk bestaat uit 5 bedrijven - Eenheid van tijd (alles binnen 24 uur) - Eenheid van plaats (alles op of rondom één plaats) - Eenheid van handeling (één hoofdlijn van het verhaal) Het model bevat de volgende achtereenvolgende elementen of fasen: - Proloog en/of stemmingsinleiding - Expositie: kennismaking met de eerste nodige gegevens om het spel te kunnen volgen - Motorisch moment: een feit waardoor het spel op gang komt - Ontwikkeling: leidt tot een climax, die in een crisis het hoogtepunt van dit drama bereikt - Bij tragedie: catastrofe of crisis, de ondergang van de hoofdpersoon - Epiloog of afwikkeling 7. Je weet welke ontwikkelingen voortkwamen uit de komst van een schouwburg 1638 – eerste Nederlandse Schouwburg - Vorm klassiek amfitheater (= ovaal theater met oplopende zitplaatsen (tribune)) - Loges / tribune / staanplaatsen - Classicistische achterwand: middentoneel + zijtonelen - Geen decorwisselingen 1664 – Modernisatie Schouwburg -> Italië als voorbeeld - Elke scène op hetzelfde toneel - Coulissen (kabels/katrollen) + beschilderd achterdoek - Decorwisselingen in nieuwe schouwburg - Kunst en vliegwerk -> spektakelstukken Opening eerste Schouwburg -> Joost van Vondel schrijft Gysbreght van Aemstel (= treurspel over de Tachtigjarige oorlog) - Opening zou Tweede Kerstdag zijn -> uitgesteld tot 3 januari door aanpassingen aan het verhaal - Verhaal: Geschiedenis Amsterdam, plundering 1304 (katholiek) - Parallellen met het verhaal ‘Paard van Troje’ (klassiek) Opkomst Schouwburg -> nieuwe toneelproducties (klassieke thema’s / alledaagse gebeurtenissen / geschiedenis Republiek) 8. Je weet wat een ‘deus ex machina’ is Letterlijk: God uit een machine Het is een verteltechniek waarbij er sprake is van een onverwachte ontknoping / een kunstgreep waarbij vaak opeens een goddelijke persoon ingrijpt in de afloop van het verhaal 9. Je weet welke rol dans had ten tijde van de 17e eeuw in het theater Dans in het theater en in het sociale leven - Danser = oneerbaar beroep (wat leer je ervan?) - Calvinistische kijk op dans: o Dans is zinnelijk -> veroordeeld door predikanten - Dans wordt nooit officieel verboden - Frankrijk / Italië: dans aan het hof - Republiek: aangelegenheid voor burgers Dansles: - Voor de gegoede burgers - Manier om zich in voornaam gezelschap correct te kunnen gedragen Bal: - Gegoede burgers nodigen elkaar thuis uit - Frankrijk / Italië zijn voorbeeld qua dans Dans in het openbaar: - Rondtrekkende gezelschappen dans / toneel -> openbaar - Verwerkt in toneelvoorstellingen o Tussendans o Slotballet o Dansvoorstellingen (verhalend mythologisch of allegorisch) - Vrouwelijke dansers – bijzonder 10. Je kent de houding t.o.v. lachen ten tijde van de 17e eeuw Lachen werd gezien als een beproefd medicijn tegen depressies(verwarde hersenen) / tegenslagen in het leven relativeren - Moppenboekjes waren populair Schouwburg: eerst een tragedie, daarna een komedie / klucht - Gezond - Minder somber naar huis Lachen was voor welgestelde burgers ongepast (op portretten) Frans Hals maakte veel lachende portretten 11. Je kent de theatrale middelen en kan deze toepassen 12. Je weet wat een genrestuk is Een genrestuk is een scène uit het dagelijks leven met een verborgen moraal met een waarschuwing dat je het leven en de dood serieus met nemen. 13. Je weet welke symboliek verborgen zit in diverse voorbeelden van een genrestuk Symboliek: - Hond – trouw, loyaliteit - Rode kous – losbandig leven - Kan – zuinigheid (doceer de verleidingen) - Brood – dagelijks leven, soberheid - Kaars (uit of bijna uit) – vergankelijkheid van het leven - Rommelige kamer – morele wanorde - Citroen – laat meesterschap van de schilder zien - Vat met een opening – lege vaten klinken hol en volle vaten niet - Gekooide vogel – gevangenschap boven vrijheid Voorbeelden - Jan Steen – Dansend stel (1663) o Je kan beter een duurzame relatie hebben dan een oppervlakkig avontuurtje - Jan Steen – In Weelde Sie Toe o Betekenis titel: In rijkdom ziet men toe o Oppassen dat de rijkdom tijdelijk kan zijn o Kinderen worden aan hun lot overgelaten - Vermeer – Muziekles o Muziekles was meer voor mannen o Vrouw achter de piano kijkt naar haar muziekdocent o Een kan staat voor zuinigheid → doceer de verleidingen - Jacob Ochterveld – Een visverkoper aan de deur o Hond staat voor trouw → de moeder is trouw aan haar man - Jan Steen - Het doktersbezoek o Kan / honden o Iemand kon beter worden door te trouwen met de juiste man - Jan Steen - Het ochtendtoilet o Rode kous → losbandig leven o Rode schoenen → huishouden, maar ze zijn rommelig o hond → trouw o voorbeeld van hoe het niet moet 14. Je weet wat een ‘emblemata’ is Emblemata zijn plaatjes met morele spreuk (plaatje met een praatje) Emblemataboeken/Emblematabundels zijn voor een breed publiek. 15. Je kent de volgende begrippen: polyfoon - homofoon - prima pratica - seconda pratica – contrafact Muziek: - geen groot hofleven in Republiek - geen rijke kerkmuziekcultuur - Reformatie o kerk keer zich tegen meerstemmige muziek (katholiek) o waarom? -> het leidt af van de teksten zelf - Psalmen o eenstemmig (= homofone muziek) o volkstaal o op rijm -> waarom? -> dan is het makkelijker te zingen en onthouden - Contrafacten o veel psalmen zijn een contrafact (= nieuwe tekst op een bestaande melodie) - Geneefse Psalmboek (Calvijn) o 1566 Nederlandse vertaling -> psalmen op muziek en rijm o 1604-1621 -> bewerking van Sweelinck - Bevolking musiceert zelf wel o vrouwen alleen binnenshuis o invloed boekdrukkunst o muziekles - opvoeding - Gezelschappen o Muiderkring (vriendenkring van P.C. Hooft) o Collegium Musicum (kleine gezelschappen van rijke elite)  groeit uit tot een gezelschap van beroepsmusici en goede amateurs die openbare concerten geven - enkel voor mannen - In de kerk veel gezongen + thuis o drink- & liefdesliedjes - Sinds Middeleeuwen: menselijke stem = belangrijkste instrument/muziekvorm = gekregen van God o muziek wordt genoteerd → composities ingewikkelder o late Middeleeuwen: polyfone muziek • Polyfonie: vorm is belangrijkst, inhoud (tekst) minder • Monteverdi (componist Middeleeuwen) o noemt zijn polyfone muziek ‘prima prattica’ o vorm (melodie + harmonie) belangrijkst, inhoud (tekst) ondergeschikt • Renaissance o emotie komt meer voorop te staan o muziek...